Aantal dansscholen toegenomen, maar wordt er ook meer gedanst?

Danser (Bron beeld: Unsplash/Kyle Head)
woensdag, 9 mei 2018

Nog even de tango leren dansen voor die aankomende bruiloft, of juist de Engelse wals aan je repertoire toevoegen? Het kan in steeds meer dansscholen, meldde de Kamer van Koophandel onlangs naar aanleiding van de Internationale Dag van de Dans.

Het aantal dansscholen dat staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel steeg tussen 1 januari 2013 en 1 april 2018 met 52 procent: van 1569 tot 2388. In hoeverre het hier een daadwerkelijke toename betreft of – zoals in veel delen van de culturele sector – een gedeeltelijke versnippering van het aantal bedrijven door een stijgend aantal zzp’ers, is evenwel niet bekend.[1]

Bij een deel van de dansscholen kunnen meerdere stijlen beoefend worden, bij het overige deel staat één stijl centraal. In die laatste groep waren de sterkste stijgingen te zien in het aantal kinderdansscholen (een stijging van 117 procent tot 165 scholen), hiphopscholen (met 61 procent naar 45 scholen) en balletscholen (met 56 procent naar 84 scholen) (Kamer van Koophandel 2018).

Noord-Holland had in 2018 de meeste dansscholen (525), net iets meer dan Zuid-Holland (523). Noord-Brabant en Gelderland volgen met respectievelijk 362 en 272 scholen op iets ruimere afstand (Kamer van Koophandel 2018). Omdat deze vier provincies tevens de provincies met de meeste inwoners zijn, is in onderstaande tabel ook het aantal dansscholen per 100.000 inwoners weergegeven. Hieruit blijkt dat Noord-Holland ook relatief het meeste dansscholen heeft, maar dat Utrecht en Flevoland op dit gebied eveneens goed scoren. In Friesland, Drenthe en Zeeland bevinden zich zowel absoluut als relatief de minste dansscholen.

Aantal dansscholen in Nederland (Bron: Kamer van Koophandel 2018)

Figuur 1 - Overzicht van dansscholen per provincie, en het aantal dansscholen per provincie per 100.000 inwoners. De provincies zijn gesorteerd op het aantal dansscholen in 2018. Voor het aantal dansscholen per inwoner is gebruik gemaakt van bevolkingscijfers uit de CBS Statlinetabel Bevolkingsontwikkeling; regio per maand. Omdat deze tabel nog geen data voor 1 april 2018 bevat, is het aantal inwoners op 1 maart 2018 gebruikt. Dit zijn voorlopige cijfers (Kamer van Koophandel 2018).

Dansscholen en dansbeoefening

Hoe verhouden deze cijfers over het aantal dansscholen zich tot de dansbeoefening in Nederland? Een vergelijking met de cijfers in de Monitor Amateurkunst 2017 – waarin circa 5.000 personen boven de zes jaar zijn ondervraagd over hun (eventuele) amateurkunstbeoefening – biedt op dit vlak enkele interessante inzichten.

In april 2017 gaf 8,4 procent van alle ondervraagden aan in het afgelopen jaar dansen als culturele of creatieve activiteit te hebben ondernomen, of er les in te hebben gehad.[2] Zoals de meeste vormen van amateurkunst neemt het aandeel beoefenaars af hoe ouder de ondervraagden worden. In de leeftijdscategorie 6 tot 11 jaar geeft 30 procent van de ondervraagden aan dansen als activiteit te beoefenen, in de categorie 12 tot 19 jaar 16 procent, en vanaf 20 jaar daalt het aandeel onder de 10 procent (Neele et al. 2018, p. 10). De meeste dansbeoefenaars zijn te vinden in Overijssel (9,5 procent), gevolgd door Zuid-Holland (9,3 procent) en Utrecht (9,1 procent).

In de amateurdansbeoefening blijkt de dansschool een belangrijke rol in te nemen. Het merendeel van de dansbeoefenaars beoefent deze hobby buiten de deur (86 procent), waarbij de dansschool in circa de helft van de gevallen (49 procent) de gebruikte locatie is. 52 procent van de dansbeoefenaars neemt bovendien les (Neele et al. 2018, p. 25-29).

Hoewel dansscholen een groot gedeelte van de dansbeoefening lijken te faciliteren, lijkt de toename in het aantal dansscholen tussen 2013 en 2017 niet gepaard te zijn gegaan met een toename van de dansbeoefening. In 2013 gaf 9,4 procent van de ondervraagden aan in het afgelopen jaar dansen als culturele of creatieve activiteit te hebben beoefend of daar les in te hebben genomen – in 2017 was dit lichtjes gedaald tot 8,4 procent. Niettemin hoeven beide ontwikkelingen elkaar niet per se tegen te spreken: zelfs als het totale aantal dansbeoefenaars daalt, zou het deel van deze groep dat gebruik maakt van een dansschool kunnen stijgen. Een vergelijking tussen de cijfers in de Monitor Amateurkunst 2017 en de Monitor Amateurkunst 2015 geeft echter geen aanleiding om van een dergelijke ontwikkeling uit te gaan (IJdens 2015, p. 33-25; Neele et al. 2018, p. 25-29).

Noten

[1] Zie over de toename van het aantal ZZP’ers bijvoorbeeld ook de toelichting op de indicator ‘Werkgelegenheid kunsten en cultureel erfgoed’.

[2] Dit cijfer is afkomstig uit een dataset bij de Monitor Amateurkunst 2017, aangeleverd door het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA). Dit geldt ook voor de genoemde percentages per provincie, alsook het percentage dansbeoefenaars in 2013.

Literatuur

Bron beeld

Unsplash/Kyle Head

Trefwoorden: