Van leerling naar lezer? De opbrengsten van auteursoptredens onderzocht

Auteursoptreden door Manon Sikkel - Foto door Edwin Walsvisch
13 september 2018

Een schrijver op school, een auteur in de aula, een dichter als docent: jaarlijks bezoeken auteurs vele kinderen en jongeren in het primair en voortgezet onderwijs. De hoop is hen net zo enthousiast te maken voor de letteren als zij zelf zijn, maar lukt dat ook? In een vandaag verschenen rapport is onderzocht in hoeverre auteursbezoeken bijdragen aan de leesbevordering.

Wie in Nederland anno 2018 een kinder- of tienerkamer binnenwandelt, zal daar waarschijnlijk niet struikelen over een stapeltje boeken. Tussen 2006 en 2016 is het aantal 12- tot 19-jarigen dat leest in de vrije tijd sterk afgenomen: van 65 naar 40 procent (Sociaal en Cultureel Planbureau 2018). Het aantal boeklezers is zelfs nog lager: slechts 18 procent van de 13- tot 19-jarigen slaat in eigen tijd met enige regelmaat een boek open. Deze leeftijdscategorie leest daarmee beduidend minder dan andere leeftijdsgroepen (Wennekers et al. 2018, 61).

Dat met name Nederlandse tieners niet massaal warm lopen voor het lezen van een boek, blijkt ook uit recent onderzoek naar leesmotivatie. 49 procent van de leerlingen op de middelbare school gaf daarin aan het (helemaal) niet leuk te vinden om boeken te lezen, terwijl dit op de basisschool slechts voor 18 procent van de kinderen gold (DUO Onderwijsonderzoek 2017, 11). Ten opzichte van leeftijdsgenoten in andere landen beleven Nederlandse kinderen en jongeren daarmee erg weinig plezier aan lezen, blijkt uit verschillende onderzoeken (zie ook Leesmonitor z.j. voor een overzicht).

Er zijn verschillende mogelijke verklaringen over waarom het leesplezier van jongeren gedurende hun jeugd geleidelijk afneemt. Wanneer kinderen leren lezen, staat in eerste instantie het leesplezier centraal, maar gaandeweg wordt lezen steeds meer iets dat ‘moet’. Ook worden de teksten die gelezen moeten worden steeds moeilijker, en vaak ook serieuzer. Om beide redenen kan dan het leesplezier afnemen. Daarnaast krijgen kinderen naarmate ze ouder worden ook andere interesses, waardoor het lezen naar de achtergrond kan verdwijnen. Zo gaat op het voortgezet onderwijs de afname van leestijd hand in hand met een toename van tijd die besteed wordt aan het versturen van berichten, luisteren naar muziek, en kijken van filmpjes (Huysmans 2013, 57; DUO Onderwijsonderzoek 2017, 12-13, 34-35).

Hoewel het deels onvermijdelijk lijkt dat het leesplezier van (een deel van de) jongeren afneemt naarmate ze ouder worden, is het belangrijk dat ze toch blijven lezen. Er is al veel onderzoek gedaan naar, en geschreven over de opbrengsten van lezen: lezen is onder meer goed voor de persoonlijke ontwikkeling, carrièrekansen, welzijn en de manier waarop we elkaar als mensen zien en met elkaar omgaan (zie bijvoorbeeld Stichting Lezen 2017 en Leesmonitor – Het Magazine 2017).

Verschillende organisaties zetten zich daarom samen in om het lezen onder jongeren te stimuleren, middels alle mogelijke middelen. Eén van die middelen, waarmee jaarlijks zo’n 260.000 leerlingen bereikt worden, zijn de vele bezoeken die schrijvers en dichters afleggen aan scholen in het primair en voortgezet onderwijs (Bos et al. 2018, 1).

Het auteursbezoek in cijfers

Bij verreweg de meeste bezoeken die auteurs in Nederland afleggen aan boekwinkels, scholen, bibliotheken en andere instellingen, bemiddelt De Schrijverscentrale tussen de auteur en de instantie die het bezoek organiseert. Daarmee vormt het aantal contracten dat De Schrijverscentrale jaarlijks afsluit een goede indicatie van het aantal auteursoptredens in dat jaar – vandaar dat deze cijfers eerder dit jaar ook zijn opgenomen in de Cultuurindex Nederland. [1]

In 2017 bemiddelde De Schrijverscentrale in 4.717 contracten voor auteursoptredens. Het grootste deel hiervan (60,4 procent) was voor optredens in het onderwijs – overigens een fors hoger aandeel dan in voorgaande jaren (De Schrijverscentrale 2018, 18).

Ontwikkeling auteursoptredens binnen en buiten het onderwijs (Bron: De Schrijverscentrale)

Figuur 1 - Het jaarlijkse aantal door De Schrijverscentrale afgesloten contracten voor auteursoptredens, uitgesplitst naar contracten waarbij de optredens binnen een onderwijssituatie plaatsvinden, en contracten waarbij dat niet het geval is. De cijfers tot en met 2016 zijn door De Schrijverscentrale verstrekt t.b.v. de Cultuurindex Nederland, de cijfers over 2017 zijn afkomstig uit het bestuursverslag over dat jaar (De Schrijverscentrale 2018, 18)

Binnen het onderwijs vormt het primair onderwijs de grootste doelgroep. Er is echter een onmiskenbare trend zichtbaar, waarin steeds meer auteursbezoeken aan het middelbaar onderwijs worden afgelegd. Was deze doelgroep in 2005 nog goed voor 22,8 procent van alle auteursbezoeken in het onderwijs, in 2017 was dit aandeel al gestegen tot 36,8 procent.

Ontwikkeling auteursoptredens in primair en middelbaar onderwijs (Bron: De Schrijverscentrale)

Figuur 2 - Het jaarlijkse aantal door De Schrijverscentrale afgesloten contracten voor auteursoptredens, uitgesplitst naar contracten met het primair onderwijs als doelgroep, en contracten met het middelbaar onderwijs als doelgroep. Voor de leesbaarheid van de figuur is het hoger onderwijs buiten beschouwing gelaten. Tussen 2005 en 2017 is deze categorie goed voor gemiddeld 102 contracten per jaar, waarmee het een zeer klein aandeel in het totale aantal auteurscontracten voor het onderwijs inneemt. De cijfers tot en met 2016 zijn door De Schrijverscentrale verstrekt t.b.v. de Cultuurindex Nederland, de cijfers over 2017 zijn afkomstig uit het bestuursverslag over dat jaar (De Schrijverscentrale 2018, 18)

Dat er steeds meer auteursoptredens plaatsvinden voor de doelgroep die juist het minste leest, mag goed nieuws heten. Alleen: weten auteurs deze tieners ook daadwerkelijk te motiveren om meer te gaan lezen?

De opbrengsten van schrijversbezoeken

In het rapport Dichter bij de schrijver, dichter bij lezen is in opdracht van De Schrijverscentrale en Stichting Lezen onderzocht wat de opbrengsten van schrijversbezoeken in het primair en voortgezet onderwijs zijn. Daartoe zijn twee wegen bewandeld: er is een (internationale) literatuurstudie gedaan, en er is door onderzoeksbureau Oberon een gebruikersonderzoek uitgevoerd onder de bij een auteursoptreden betrokken partijen. [2]

Voor het literatuuronderzoek zijn 35 (internationale) onderzoeken naar auteursoptredens onderzocht. In deze studies worden door lezers, auteurs, organisatoren en de inhoudelijke begeleiders van auteursoptredens (zoals docenten en bibliothecarissen) vele positieve opbrengsten genoemd. [3] Zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs lijken leerlingen gemotiveerder om te gaan lezen, en ook om meer boeken van de uitgenodigde auteur te gaan lezen. Vooral voor leerlingen in het voortgezet onderwijs geldt bovendien dat zij door het schrijversbezoek een diepgaander inzicht krijgen in (de besproken) boeken en in het schrijfproces. Dit stimuleert het gesprek over boeken. De onderzoekers concluderen dan ook dat ‘zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs (…) het schrijversbezoek [lijkt] te leiden tot een hogere leesfrequentie en leesmotivatie en een positievere leesattitude’ (Bos et al. 2018, 5-9, citaat op 9).

De gerapporteerde opbrengsten zijn vervolgens in de Nederlandse praktijk getoetst door middel van een gebruikersonderzoek. Hiervoor is een digitale vragenlijst voorgelegd aan leerlingen, docenten, auteurs en organisatoren die betrokken zijn geweest bij auteursbezoeken in de bovenbouw van basisscholen, het vmbo, en de onderbouw van havo en vwo. Hen is gevraagd naar hun ervaringen voorafgaand, tijdens en na het schrijversbezoek. Ook zijn er met de betrokkenen persoonlijke interviews gehouden.

Een belangrijk eerste resultaat is dat het schrijversbezoek door de meeste leerlingen erg positief beoordeeld wordt. De meerderheid van de basisschoolleerlingen vond het bezoek leuk (78 procent) of anders tenminste een beetje leuk (17 procent). Leerlingen op de middelbare school zijn weliswaar iets minder enthousiast, maar ook hier vonden de meeste leerlingen het bezoek leuk (61 procent) of een beetje leuk (30 procent). Ook docenten en schrijvers schatten de beleving van het schrijversbezoek onder leerlingen erg positief in: ruim 90 procent van hen dacht dat de leerlingen het schrijversbezoek leuk vonden en dat het leerzaam voor hen was (Bos et al. 2018, 34-35).

Dat leerlingen het schrijversbezoek leuk vinden, is erg mooi, maar een belangrijkere vraag is of ze lezen ook leuker gaan vinden. Dit lijkt voor een aanzienlijk deel van de leerlingen te gelden. Bijna de helft van de leerlingen in het basisonderwijs en circa een derde van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zegt door het schrijversbezoek zin te hebben gekregen om meer boeken te lezen. Daarnaast geeft een groot deel van de leerlingen in het basisonderwijs aan lezen leuker (35 procent) of een beetje leuker (41 procent) te zijn gaan vinden door het schrijversbezoek. In het voortgezet onderwijs is 14 procent van de leerlingen lezen leuker gaan vinden, terwijl 27 procent lezen nu een beetje leuker vindt (Bos et al. 2018, 39-41).

Door leerlingen gerapporteerde opbrengsten van schrijversbezoeken (Bron: Bos et al. 2018)

Tabel 1 - Door leerlingen gerapporteerde opbrengsten van schrijversbezoeken. Deze stellingen werden in vraagvorm aan de leerlingen voorgelegd - de genoemde percentages betreffen het deel van de leerlingen dat op een vraag 'ja' geantwoord heeft. Daarnaast was bij een aantal vragen 'een beetje' een van de mogelijke antwoorden (Bos et al. 2018, 40-41)

Ook docenten en de schrijver zelf observeren onder de leerlingen positieve resultaten: een meerderheid van hen denkt dat het schrijversbezoek het leesplezier heeft vergroot, en dat leerlingen nu gemotiveerder zijn om boeken te lezen. De ondervraagde docenten zijn dan ook erg positief over het schrijversbezoek als middel ter leesbevordering (Bos et al. 2018, p. 41-43).

Door docenten en schrijvers gerapporteerde opbrengsten van auteursbezoeken (Bron: Bos et al. 2018)

Tabel 2 - Door docenten en schrijvers gerapporteerde opbrengsten van schrijversbezoeken. De percentages hebben betrekking op het deel van de respondenten dat op de betreffende stelling heeft geantwoord met 'mee eens' of 'helemaal mee eens' (Bos et al. 2018, 43)

Voorwaarden voor een succesvol auteursbezoek

Hoewel er veel positieve opbrengsten van schrijversbezoeken gerapporteerd worden, is de mate waarin deze daadwerkelijk bewerkstelligd worden deels afhankelijk van de organisatie en de invulling van het bezoek. In het literatuuronderzoek vonden de onderzoekers verschillende randvoorwaarden die bijdragen aan een succesvol auteursbezoek. Zo wordt geadviseerd het bezoek ruim van tevoren te plannen, een auteur te kiezen van wie het werk aansluit bij de leeftijd en de belevingswereld van de leerlingen en het bezoek vooraf inhoudelijk voor te bereiden en in te bedden in de lessen (bijvoorbeeld door met leerlingen samen een of meerdere boeken van de uitgenodigde auteur te lezen). Ook wordt aangeraden om leerlingen tijdens het bezoek actief vragen te laten stellen, en na afloop van het optreden met een of meerdere verdiepende activiteiten nog aandacht aan het bezoek te besteden (Bos et al. 2018, 9-15). [4]

In het gebruikersonderzoek bleek dat in de praktijk aan veel van deze voorwaarden voldaan wordt. De meeste organisatoren geven aan dat ze het bezoek ruim van tevoren gepland hebben, en dat de gekozen schrijver vrijwel altijd naar tevredenheid was. Tijdens het bezoek worden er – zeker als het van tevoren goed inhoudelijk was voorbereid – veel vragen gesteld: circa twee derde van de docenten en schrijvers geeft aan dat dit het geval was. En na afloop van het auteursoptreden besteden vrijwel alle betrokken docenten (92 procent) nog aandacht aan het bezoek – het vaakst in de vorm van een nabespreking (Bos et al. 2018, 24-25, 35-38).

Niettemin zijn er ook verbeterpunten mogelijk. Op de middelbare school geeft nog 49 procent van de leerlingen aan niet aan voorbereidende activiteiten te hebben deelgenomen – al bleek uit de gevoerde gesprekken dat leerlingen soms niet bewust doorhadden met zo’n voorbereidende activiteit bezig te zijn. Ook lezen leerlingen lang niet altijd voorafgaand aan het bezoek een boek van de auteur die op bezoek komt: op de basisschool had 53 procent van de ondervraagde leerlingen (zelf of via voorlezen) kennis genomen van een boek van de auteur, onder leerlingen op het voortgezet onderwijs was dit 35 procent. Wanneer leerlingen vooraf geen boek hebben gelezen, geven middelbare scholieren vaak aan dat dit komt omdat ze daarin geen zin hadden, terwijl op de basisschool ook het ontbreken van (voldoende) boeken geregeld een rol speelt (Bos et al. 2018, 27-29, 31-33, 48-49).

Mogelijkheden voor verder onderzoek

In het door de onderzoekers uitgevoerde gebruikersonderzoek rapporteren leerlingen en docenten positieve opbrengsten van het auteursbezoek met betrekking tot de leesmotivatie, het leesplezier en het leesgedrag van de leerlingen. Daarnaast biedt dit onderzoek verschillende aanknopingspunten voor vervolgonderzoek waarin dit resultaat verder uitgediept zou kunnen worden.

Zo geeft in het huidige onderzoek wel een deel van de ondervraagde leerlingen aan dat ze meer zin hebben gekregen in het lezen en het ook leuker vinden om te lezen, maar wordt niet duidelijk welke kinderen dit precies zijn. Zijn dit de kinderen die het van tevoren al leuk vonden om te lezen, of juist de kinderen die niet van lezen hielden? Hoewel het voor beide groepen positief is als ze lezen door het auteursbezoek leuker zijn gaan vinden, is de meeste winst juist bij de laatste groep kinderen te halen.

Daarnaast zijn de opbrengsten weliswaar positief, maar is niet bekend hoe duurzaam deze zijn, en of er vervolgens ook daadwerkelijk een verandering optreedt in het leesgedrag, het leesplezier en de leesmotivatie van leerlingen. Leerlingen werd nu binnen een week na het auteursoptreden gevraagd of ze meer zin hadden gekregen om te gaan lezen en of ze lezen leuker zijn gaan vinden (Bos et al. 2018, 17). Het is mogelijk dat leerlingen direct na het optreden gemotiveerd zijn om meer te gaan lezen (of dit uit sociale wenselijkheid zeggen), maar dat deze motivatie wegebt voordat deze in daden is omgezet. Andersom kan het zijn dat het effect van auteursoptredens bij sommige leerlingen pas op langere termijn zichtbaar wordt.

Ook zou het onderzoek nog eens uitgevoerd kunnen worden onder een grotere groep leerlingen, docenten en auteurs. Hoewel de onderzoekers aangeven dat de onderzochte groep groot genoeg was om een indruk te geven van de opbrengsten van schrijversbezoeken, was deze te klein om een representatief beeld van de hele populatie te bieden (Bos et al. 2018, 18). In hoeverre de groep dan toch representatief is, is voorts de vraag – in elk geval valt op dat in deze groep het aantal leerlingen dat zegt lezen niet leuk te vinden, beduidend lager is dan in het hierboven aangehaalde onderzoek naar leesmotivatie (DUO Onderwijsonderzoek 2017, 11; Bos et al. 2018, 18-19).

Tot slot zou het interessant zijn om te onderzoeken of verschillende invullingen van het schrijversbezoek ook verschillende opbrengsten voortbrengen – een onderwerp waar volgens de onderzoekers ook nog weinig over bekend is (Bos et al. 2018, 12). Het zou immers kunnen dat (bijvoorbeeld) een voorleessessie, interview of workshop creatief schrijven elk andere uitwerkingen hebben op de leerlingen waar de auteur voor staat.

Noten

[1] Omdat een contract voor meer dan één optreden kan worden afgesloten, zal het aantal optredens in de praktijk hoger liggen dan het aantal contracten. De precieze verhouding tussen optredens en contracten is niet bekend. Zie voor een nadere analyse van de cijfers van De Schrijverscentrale ook Cultuurindex Nederland 2018.

[2] Het literatuuronderzoek is in volledige vorm door Stichting Lezen uitgegeven als interne publicatie, onder de titel De effecten van schrijversbezoeken op leesbevordering. Het hier besproken rapport Dichter bij de schrijver, dichter bij lezen bevat een (uitgebreide) samenvatting van deze literatuurstudie.

[3] Wel plaatsen de onderzoekers de kanttekening dat de meeste studies vooral uitgaan van observaties, in plaats van concrete (gestandaardiseerde) meetinstrumenten. Daarnaast ontbreken effectonderzoeken met een controlegroep, waardoor moeilijk te bewijzen is dat een geobserveerde verandering in leesmotivatie of –gedrag daadwerkelijk het gevolg is van het auteursbezoek (Bos et al. 2018, 15-16).

[4] Ook moet een keuze gemaakt worden tussen een eenmalig of meermalig bezoek. Beide hebben voordelen: een eenmalig bezoek is bijvoorbeeld ‘specialer’ (en heeft daardoor mogelijk een grotere impact), terwijl tijdens meermalige bezoek een sterkere band tussen auteur en leerling kan worden opgebouwd en meer de diepte kan worden ingegaan (Bos et al. 2018, 13-14, 44).

Besproken publicatie

Aanvullende literatuur

Bron beeld

Auteursoptreden door Manon Sikkel, foto door Edwin Walsvisch. Met dank aan De Schrijverscentrale.

Trefwoorden: