Gaat het écht zo slecht met de Nederlandse film?

Screenshot uit de Nederlandse film Niemand in de stad, die later dit jaar verschijnt. Rechtenvrije foto door Bram van Woudenberg, gedownload via de website van het Nederlands Filmfestival.
17 juli 2018

Onlangs luidde Filmdistributeurs Nederland (FDN) de noodklok over de Nederlandse film. Het bezoek daaraan zou met liefst 36 procent zijn gedaald, voornamelijk omdat er steeds minder geld beschikbaar is voor het maken van publieksfilms. Is de analyse van FDN terecht, en gaat het écht zo slecht met de Nederlandse film?

Met respectievelijk 4,2 en 4,3 miljoen verkochte bioscoopkaartjes waren 2016 en 2017 geen bijzonder goede jaren voor de Nederlandse film. In de drie voorgaande jaren kon de Nederlandse film steeds rekenen op een ruime zes miljoen bezoekers per jaar. FDN concludeert dan ook dat het bioscoopbezoek aan Nederlandse films in de periode 2013-2017 met 36 procent gedaald is (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 6).

Een nadere blik op de bezoekcijfers

Kijken we echter naar een langere periode, dan lijken in absolute zin de bezoekersaantallen over 2016 en 2017 niet eens zo slecht te zijn. Deze liggen immers niet veel lager dan in 2008, 2009, 2010 en 2012, zoals blijkt uit figuur 1. Als in het rapport bijvoorbeeld niet de periode 2013-2017, maar 2012-2017 onder de loep zou zijn genomen, dan zou het bezoek aan Nederlandse films met ‘slechts’ 10 procent gedaald zijn.

Aantal bioscoopbezoekers Nederlandse film (Bron: Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014, Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018)

Figuur 1 - Aantal bioscoopbezoeken voor Nederlandse films tussen 2005 en 2017, in miljoenen (Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014, p. 26; Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 25)

Toch is er iets aan de hand. Waar het bezoek aan Nederlandse films gedaald is, stijgt het totale bioscoopbezoek namelijk al jaren op rij. Het aandeel van de Nederlandse film in het bioscoopbezoek zakte daardoor in 2017 naar 12 procent, het laagste aandeel sinds 2006, zo toont figuur 2.

Aandeel Nederlandse film in het totale bioscoopbezoek (Bron: Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014; Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018)

Figuur 2 - Aandeel van de Nederlandse film in het totale bioscoopbezoek, in procenten (Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014, p. 26; Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 25)

Daarnaast moet in ogenschouw worden genomen dat er (zowel absoluut als relatief) steeds meer Nederlandse films in de bioscoop verschijnen, terwijl het bezoek achterblijft. Zetten we dit tegen elkaar af en berekenen we het gemiddelde aantal bezoekers per Nederlandse film, dan blijkt ook dat 2016 en 2017 relatief magere jaren waren.

Gemiddeld aantal bioscoopbezoekers per Nederlandse film (Bron: Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014; Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018)

Figuur 3 - Gemiddeld aantal bioscoopbezoeken per Nederlandse film (Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten et al. 2014, p. 26; Nederlandse vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 25)

Het bezoek aan de Nederlandse film viel, kortom, tegen in 2016 en 2017, zeker als het wordt afgezet tegen het aantal uitgekomen films en het totale bioscoopbezoek. De eerste cijfers over 2018 (tot en met 19 juni) geven bovendien nog geen hoop tot optimisme: het aandeel van de Nederlandse film daalt daarin zelfs tot onder de tien procent (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 4). Hoe vallen deze lage bezoekcijfers te verklaren?

Gebrek aan blockbusters?

De vraag waarom er steeds minder mensen een Nederlandse film bezoeken, is ook om te draaien: waarom bezochten vóór 2016 zoveel mensen een Nederlandse film? Twee belangrijke oorzaken daarvoor zijn allereerst Gooische Vrouwen (2011) en Gooische Vrouwen 2 (2014). Deze twee films alleen al waren goed voor 13 procent van het totale bezoek aan Nederlandse films tussen 2011 en 2015 (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 25, 44).

Ook andere Nederlandse films wisten in de afgelopen tien jaar een groot publiek naar de bioscoop te krijgen. Komt een vrouw bij de dokter (2009) en New Kids Turbo (2010) trokken elk meer dan een miljoen bezoekers, en staan in de lijst meest succesvolle bioscoopfilms van de laatste tien jaar tussen kaskrakers als de Hobbit-trilogie of de voorlaatste Harry Potter-film (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 44).

Daarbij vergeleken steken de jaren 2016 en 2017 karig af. In de top twintig meest succesvolle Nederlandse films van de afgelopen tien jaar staat slechts één titel die in deze twee jaar verschenen is: Soof 2, op plek 5 (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 44).

Voor het bezoek aan de Nederlandse film lijken blockbusters dus van groot belang, en precies daarvan zijn er de afgelopen twee jaar weinig geweest. De vraag is dan ook in hoeverre het lage bezoek in 2016 en 2017 een trend is of eerder een incident. Eén bovengemiddeld succesvolle film zou immers de weg omhoog weer in kunnen leiden. Als maar een deel van de 2,6 miljoen mensen die afgelopen jaar naar de kerstspecial van All you need is love keken, later dit jaar ook de romantische kerstfilm gaat bezoeken die op het programma gebaseerd is, dan zou het bezoek aan Nederlandse films in 2018 bijvoorbeeld alsnog een stuk hoger kunnen gaan uitvallen dan nu de verwachting is. [1]

Zijn er meer publieksfilms nodig?

De Nederlandse film lijkt dus naar een blockbuster te snakken. Het produceren daarvan is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan: als er een blauwdruk zou zijn voor het maken van een Nederlandse film die meer dan een miljoen bezoekers trekt, dan zou die al door veel filmproducenten zijn gebruikt.

Een goed voorbeeld is de historische spektakelfilm Redbad, die op dit moment in de bioscoop draait. Ondanks een relatief hoog budget én het feit dat een vergelijkbare historische film als Michiel de Ruyter (van dezelfde regisseur) zeer succesvol was, schrijven sommige media na de eerste week in de bioscoop (hopelijk voorbarig) al over een bioscoopflop. [2]

Hoge bezoekersaantallen is voor films dan ook vergelijkbaar met het winnen van een loterij, en dat geldt zeker ook voor Nederlandse producties. Dergelijk succes is onvoorspelbaar, al helpt het wel om zoveel mogelijk loten te hebben. Met andere woorden: zoveel mogelijk films uitbrengen die de potentie hebben een groot publiek naar de bioscoop te trekken.

Precies daarover gaat het rapport van de FDN. Hierin pleit de brancheorganisatie er namelijk voor om meer publieksfilms te maken. Maar welke films vallen precies onder dat begrip? De omschrijving blijft beperkt tot ‘films die [d]oor brede lagen van de maatschappij aantrekkelijk worden gevonden’ (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 17). Die definitie is weinig specifiek. Films als Gooische Vrouwen en New Kids Turbo trokken bijvoorbeeld elk meer dan een miljoen mensen naar de bioscoop, maar het is goed voorstelbaar dat de filmmakers wel degelijk een specifieke doelgroep voor ogen hebben gehad bij het maken van deze films. Zijn het daarmee dan juist wel of niet publieksfilms?

Volgens de auteurs van het rapport zijn publieksfilms ten eerste belangrijk omdat ‘het een aderlating voor de cultuur is’ ‘indien we nauwelijks meer toegankelijke films in de eigen taal en afspelend in Nederland te zien krijgen’ (Filmdistributeurs Nederland 2018, p. 17). In historisch perspectief is de Nederlandse filmproductie echter bijkans hoger dan ooit. [3] In 2017 verschenen er volgens de eigen telling van Filmdistributeurs Nederland 36 Nederlandse speelfilms – pakweg één per anderhalve week (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 8).

Daarnaast zouden er volgens FDN meer Nederlandse publieksfilms gemaakt moeten worden omdat ‘de sector minder afhankelijk moet zijn van buitenlandse films’ (Filmdistributeurs Nederland 2018, p. 17). Die afhankelijkheid is historisch gezien altijd groot geweest – nooit lager dan 77,7 procent [3]– maar was in 2016 en 2017 nog sterker dan in voorgaande jaren, zoals figuur 2 al liet zien. In het bijzonder is de Nederlandse bioscoopsector afhankelijk van de Amerikaanse film: in 2017 werd ruim 77 procent van de bioscooprecette opgebracht door films uit de VS (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 37). Dat wordt problematisch wanneer er minder Amerikaanse blockbusters verschijnen, zoals volgens FDN dit jaar het geval is (Filmdistributeurs Nederland 2018, p. 7). Meer films van eigen bodem zouden dit kunnen compenseren, al zouden ook films uit andere landen dan de VS meer of vaker geprogrammeerd kunnen worden. Ter illustratie: een gemiddelde Amerikaanse film draaide in 2017 met 89 kopieën, een film uit een ander land (exclusief Nederland) werd in gemiddeld slechts 29 zalen vertoond (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters 2018, p. 37).

Los van deze overwegingen is het standpunt van FDN duidelijk: meer toegankelijke films trekken meer publiek naar de bioscoop. Alleen: juist voor het maken van die toegankelijke films is volgens FDN steeds minder geld beschikbaar.

Meer subsidie naar publieksfilms?

FDN wijst op twee oorzaken waardoor er minder geld beschikbaar is voor de productie van publieksfilms. De eerste daarvan bestaat uit teruglopende marktgelden. Door de opkomst van video-on-demand-diensten en piraterij wordt er volgens FDN minder verdiend aan dvd- en blu-ray-verkopen en aan reclame-inkomsten tijdens vertoningen op televisie. Daardoor is de bereidheid van distributeurs en commerciële televisiezenders om te investeren in nieuwe Nederlandse films afgenomen (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 11). Daarbij moet echter worden opgemerkt dat volgens cijfers van het Filmfonds buitenlandse investeringen in Nederlandse speelfilms sinds 2013 juist sterk zijn toegenomen: van 17,7 miljoen naar 25,6 miljoen euro (Nederlands Filmfonds 2018, p. 17).

De auteurs van het rapport richten zich echter vooral op een tweede oorzaak: het subsidiebeleid van het Filmfonds Nederland. Allereerst is het totale bedrag dat het Filmfonds via ‘selective support’ en ‘supplementary matching’ in Nederlandse speelfilms investeert, volgens FDN afgenomen van 18,5 miljoen euro in 2013 tot 14,5 miljoen euro in 2017 (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 12). Daarbij is alleen gekeken naar majoritaire (co)producties, waarvan FDN een strengere definitie hanteert dan het Filmfonds. [4]

Opvallend is dat FDN de production incentive van het Filmfonds (zonder toelichting) buiten beschouwing laat. Als deze wordt meegenomen, zou het totaalbedrag dat het Filmfonds in Nederlandse speelfilms investeert juist zijn toegenomen van 18,5 naar bijna 23 miljoen euro (Nederlands Filmfonds 2014, p. 12-13, Nederlands Filmfonds 2018, p. 12-13). [5] Afdeling Filmzaken betoogt in een reactie op het rapport echter dat de production incentive zo is ingericht, dat slechts een selecte groep producenten er gebruik van kan maken (Afdeling Filmzaken 2018).

Een belangrijker probleem vindt de FDN de manier waarop het Filmfonds subsidie verdeelt. Waar het subsidiebedrag voor majoritaire (co)producties is afgenomen, is het bedrag voor films waarin Nederland een minderheidsaandeel heeft (minoritaire coproducties) juist toegenomen, alsook het bedrag bestemd voor documentaires. Nog problematischer vinden de filmdistributeurs dat er steeds minder automatische suppletiesubsidie wordt verstrekt (van 10,4 miljoen euro in 2013 naar 4,5 miljoen euro in 2017), terwijl het deel selectieve subsidie juist is gegroeid (van 8,1 miljoen euro naar 10 miljoen euro) (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 12).

Suppletiesteun en selectieve steun voor Nederlandse speelfilms (Bron: Filmdistributeurs Nederland 2018a, Nederlands Filmfonds 2018)

Figuur 4 - Selectieve steun en suppletiesteun voor Nederlandse speelfilms, volgens de telling van Filmdistributeurs Nederland 2018a, p.12. Hierin zijn de films Brimstone en De Kleine Vampier niet meegeteld. Gebeurt dit wel, dan bedroeg de selectieve steun in 2017 €12.140.000 en de suppletiesteun €4.858.000 (Nederlands Filmfonds 2018, p. 12-13).

Met die selectieve steun gaat er volgens FDN meer geld naar artistieke, inhoudelijke films ten koste van de – veelal via automatische suppletie gesteunde – publieksfilms. Als verklaring hiervoor wordt gesteld dat ‘commissies of intendanten uit voornamelijk grote steden of met filmopleidingen/achtergronden (…) minder geneigd [zullen] zijn “simpelere” projecten te ondersteunen. Prestige speelt natuurlijk ook een grote rol’ (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 13). Bewijsvoering voor deze stelling ontbreekt echter, waardoor deze de titel van het rapport – Beperkt tot de feiten – geen recht doet.

Dat subsidie nu vooral naar films gaat waarvoor beperkt publiek is, ondersteunt FDN met cijfermateriaal. Het blijkt dat films van de vijf producenten die de meeste selectieve steun ontvangen van het Filmfonds, een veel lagere recette (€564.309 per film) hebben dan gemiddeld is onder alle films die selectieve steun van het Filmfonds ontvangen (€730.942). Bovendien blijkt de gemiddelde recette van films die vooral suppletiesteun ontvangen – hoofdzakelijk publieksfilms dus – ruim twee keer zo hoog als films die selectieve steun ontvangen (€1.554.122 tegenover €730.942) (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 18-19).

Ook ging in de periode 2013-2017 61,5 procent van de selectieve steun naar dramafilms, terwijl dit genre goed is voor slechts 12,1 procent van de bioscooprecette. Voor romantische komedies is dit precies andersom: deze films verzorgen 37,8 procent van de box office, terwijl ze slechts 4,0 procent van de selectieve steun ontvangen (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 14).

Concluderend: het meeste geld gaat volgens FDN naar de films die de minste bezoekers trekken, en daar is de Nederlandse film niet bij gebaat.

Is meer subsidie de oplossing?

De vraag naar wat voor soort films de meeste subsidie moet gaan, is een politieke. Kies je ervoor vooral de films te ondersteunen waarvoor het grootste publiek is? Of de films voor een specifiekere doelgroep, die juist vanwege het kleinere aantal bezoekers meer subsidie nodig hebben? Of zou je – zoals Afdeling Filmzaken bepleit – misschien überhaupt niet moeten kiezen, om te voorkomen dat selectie tot inhoudelijke bemoeienis leidt (Afdeling Filmzaken 2018)?

Het standpunt van de FDN hierin is duidelijk: er moet meer geld naar publieksfilms. Toch is het de vraag of dat daadwerkelijk een oplossing is voor het dalend bezoek aan Nederlandse films. Onduidelijk blijft namelijk waarvoor dat geld precies gebruikt zou worden. Om meer films te maken? Dat zorgt weliswaar voor meer films die potentieel kunnen uitgroeien tot een blockbuster, maar biedt geenszins een garantie dat dat daadwerkelijk gebeurt. Om betere films te maken? Hoewel het maken van een film waarschijnlijk makkelijker wordt met een miljoen extra in de kas, zijn er genoeg (internationale) voorbeelden te vinden van films die ondanks een enorm budget genadeloos wisten te floppen.

Bovendien wordt in het rapport van FDN vanuit de aanbodkant gedacht: als er meer en/of betere publieksfilms zijn, dan volgt de vraag vanzelf. Wellicht zijn er echter ook aan de vraagzijde oorzaken te bedenken voor de iets verkleinde belangstelling voor de Nederlandse film. Het is geenszins een representatieve streekproef van filmpubliek, maar wie leest wat gebruikers op sites als Filmtotaal en NU.nl schreven over het FDN-rapport, ziet daarin sterke (voor)oordelen terugkomen over de Nederlandse film. [6] Om ook deze mensen voor een Nederlandse film naar de bioscoop te trekken, zullen die (voor)oordelen ontkracht moeten worden.

Interessant is tot slot dat niet alleen in Nederland het marktaandeel van lokale films daalt. Landen als Italië, Denemarken, Duitsland, Zweden en Spanje laten op dit vlak de laatste jaren eveneens een (soms forse) daling zien, al blijft het bezoek aan nationale films hier wel hoger dan in Nederland. Enkel in het Verenigd Koninkrijk is een duidelijke toename zichtbaar (Nederlands Filmfonds 2018, p. 5). Wellicht moet een antwoord op de vraag waarom minder mensen een Nederlandse film bezoeken, dan ook in breder perspectief gezocht worden dan nu gedaan is.

Gaat het nu echt zo slecht met de Nederlandse film?

Goede jaren waren 2016, 2017 en de eerste helft van 2018 zeker niet voor het bezoek aan Nederlandse films. Weliswaar wordt het beeld enigszins vertekend door de uitzonderlijk goede periode tussen 2011 en 2015, maar wanneer het bioscoopbezoek in 2016 en 2017 wordt afgezet tegen het grote aantal nieuwe films of het totale bioscoopbezoek, blijkt niettemin dat het bezoek aan Nederlandse film in ruim tien jaar niet zo laag is geweest.

De vraag blijft of dit een trend of een incident is. In voorgaande jaren gaven succesvolle films als Gooische Vrouwen, Komt een vrouw bij de dokter en New Kids Turbo het bezoek aan Nederlandse films een stevige boost. In 2016 en 2017 ontbraken dergelijke blockbusters vrijwel. Daar gaat een zekere geruststelling van uit: één nieuwe hit kan het tij weer doen keren.

Volgens FDN hebben we meer publieksfilms nodig die een groot publiek naar de bioscoop kunnen trekken. Volgens de filmdistributeurs gaat er nu steeds minder geld naar de productie van dit soort films: enerzijds door het subsidiebeleid van het Filmfonds, anderzijds door veranderingen op de markt. Tegelijkertijd laat FDN de toename van het production incentive en toegenomen buitenlandse investeringen in deze analyse buiten beschouwing.

Naar wat voor soort films uiteindelijk de meeste subsidie gaat of moet gaan, kan de inzet zijn van een interessante discussie. Die is inmiddels ook aangekondigd: binnenkort gaan FDN en het Filmfonds met elkaar in gesprek over de manier waarop ze samen de Nederlandse filmsector kunnen versterken (Filmdistributeurs Nederland 2018c).

Belangrijk bij het voeren van dat gesprek is wel dat begrippen en argumenten zo scherp en duidelijk mogelijk worden geformuleerd, en er met een open blik oplossingen en verklaringen worden onderzocht. Wat wordt precies verstaan onder publieksfilms? Welke doelen worden precies bereikt als er meer van dergelijke films worden geproduceerd? Kunnen die doelen ook op andere manieren bereikt worden? Spelen andere, misschien wel internationale ontwikkelingen een rol in het bezoek aan Nederlandse films?

Naast het voeren van dit gesprek, is er voor de filmliefhebber natuurlijk ook een andere manier om de Nederlandse film er weer bovenop te helpen. Heeft u bijvoorbeeld Redbad al gezien?

Noten

[1] Het kijkcijfer van de kerstspecial van All you need is love is ontleend aan het jaaroverzicht van Stichting Kijkonderzoek. Laatst geraadpleegd op 11 juli 2018.

[2] Zo kopte AD.nl: ‘Historisch filmepos Redbad flopt in bioscoop’. Het budget van de film bedroeg 6,7 miljoen euro – de recette in de openingsweek ruim 135 duizend euro (Nederlands Filmfonds 2018, p. 10; Filmdistributeurs Nederland 2018b).

[3] Dit blijkt uit een overzicht van historische bioscoopstatistieken, gebaseerd op de jaarverslagen van de bioscoopbranche, dat de Cultuurindex Nederland samenstelde en later dit jaar publiceert.

[4] Die definitie wordt enigszins inconsequent gehanteerd in het rapport. Op pagina 6 valt te lezen dat een film buitenlands is als deze voor minstens 50 procent met buitenlands geld gefinancierd is, en (hoofdzakelijk) in een andere taal dan het Nederlands is gesproken. Later worden hier nog drie voorwaarden aan toegevoegd: dat een film zich niet in Nederland afspeelt, hoofdzakelijk buitenlands talent heeft, en niet in Nederland gemaakt is (Filmdistributeurs Nederland 2018a, p. 6, p. 13). Over deze punten valt bovendien te discussiëren. Gaat ‘voornamelijk buitenlands talent’ bijvoorbeeld over de mensen vóór of achter de camera? Zo bestaat de cast van Brimstone (2017) weliswaar uit voornamelijk buitenlandse auteurs, maar staan op de sleutelposities achter de schermen vooral Nederlanders. Waar FDN de film als een buitenlandse film ziet, valt met hetzelfde criterium dus eveneens te betogen dat het een Nederlandse film is.

[5] Dit is volgens de strengere telling van FDN, waarin Brimstone en De Kleine Vampier niet zijn meegeteld. Zou dit wel het geval zijn, dan bedroegen de investeringen van het Filmfonds in Nederlandse speelfilms in 2017 in totaal 26,6 miljoen euro (Nederlands Filmfonds 2018, p. 12-13).

[6] Zie https://www.filmtotaal.nl/nieuws/61259 en https://www.nu.nl/film/5347127/nederlandse-films-trekken-minder-bioscoopgangers.html. Laatst geraadpleegd op 11 juli 2018.

Besproken publicatie

Aanvullende literatuur

Bron beeld

Screenshot uit de Nederlandse film Niemand in de stad, die later dit jaar verschijnt. Rechtenvrije foto door Bram van Woudenberg, gedownload via de website van het Nederlands Filmfestival.

Trefwoorden: